Rooie vlooien beten - Historie I
In 1841 bestond er een Maatschappelijke organisatie (Maatschappij tot het Nut in de volksmond) waarin rijke mensen (vooral vrouwen) zich als doel hadden gesteld, de arme en vooral gezien als asociale mens dusdanig op te voeden, zo dat ze zich als volwaardig mens tot nut van de maatschappij konden beschouwen.
Nu was vroeger de Stationsbuurt zeker een gegoede buurt waar veel artsen en notabelen woonden. Maar zoals het een goede stad betaamt, is er altijd rondom het centrum (de kerk) en rondom een station of centrale aankomst of vertrekpunt van een woonagglomeraat prostitutie. Deze bestond vroeger merendeels uit tippelen. En zo dus ook bij het Station Hollands Spoor. Er was tevens een duidelijke scheiding van gegoed volk en het gepeupel. Die lag waar nu de Jan Blankenstraat is (en die heeft daar gelegen tot in de jaren 80).
In de genoemde tijden rond 1840 waren er ook veel gezinnen zonder inkomen of waarvan het gezin als asociaal beschouwd werd. Voor deze werd een wat je nu een complex zou noemen gebouwd. Kleine huisjes met kamers boven elkaar zodat er duidelijk een scheiding bestond tussen op de dag leven en slapen gaan. Deze huisjes werden in een soort U constructie gebouwd.
In het midden werden was- en kookbarakken gebouwd. Deze moesten gezamenlijk gebruikt worden. Maar wel onder toezicht van de gegoede dames van de maatschappij tot het nut. Deze dames zouden de arme en asociale moeders wel eens leren hoe je de kleren moest wassen en hoe je voor je gezin moest koken. Was het goedgekeurd dan mocht het mee naar huis. In de huisjes waren dan ook geen keukens aanwezig. Er was beneden een kamer met een bedstede, in de tuin de houten wc schuur en de wasbak en een kamer boven voor de kinderen.
Aan zowel de voorkant als aan de achterkant van de ‘laantjes’ (die dieper lagen dan het niveau van de rest van de wijk en wat nog steeds te zien is, wat bewust zo gedaan is omdat dan de langslopende mensen niet direct konden zien dat hier asocialen gehuisvest waren), waren wachterhuisjes geplaatst. Om deze laantjes in te komen moest men een “pasje” bezitten waarmee men kon laten zien dat je daar woonde en dan werd men toegelaten. Het was niet toegestaan vreemden mee naar binnen te nemen.
In die periode bestond ook nog de hondenkar met de werkhond. Bij het stadhuis stond een beugel waar de hond gemeten werd of die geschikt was voor het stadse leven (op het land mocht men grotere honden behouden). Kon de hond “door de beugel” (hier komt dan ook het spreekwoord vandaan), dan mocht ie gehouden worden voor de stadse werkzaamheden en wist men ook wat men aan belastinggelden moest heffen vanwege de grootte. Nu had men al in die periode niet genoeg geld voor levensonderhoud, laat staan voor een hond. Om deze redenen werden dan ook de honden binnengesmokkeld.
Al snel brak er met regelmaat vlooienplagen uit waarbij dus de bewoners van deze laantjes onder de rode vlooienbeten zaten. De bewoners van dit “asocialen complex” waren dus herkenbaar aan hun rooie vlooienbeten stippels. En zo is de naam Rode Dorp ontstaan van “rooievlooienebeten dorp” naar het Rode Dorp. De naam Rode Dorp heeft echter bij toeval ook verder in de historie zijn naam eer aangedaan. Maar daarover meer in een volgend artikel.
| < Vorige | Volgende > |
|---|







































